borst

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • borst
enkelvoud meervoud
naamwoord borst borsten
verkleinwoord borstje borstjes

Zelfstandig naamwoord

borst v/m

  1. (anatomie) bovenste deel van de voorkant van de romp van mens (of vergelijkbaar deel bij dier), van onder begrensd door het middenrif en de hals
    Versnijd iedere borst in drie filets en snijd deze in blokjes.
  2. (anatomie) elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: Dat stuit mij tegen de borst.
Daar heb ik een afkeer van.
  • [1]: iemand aan de borst drukken
iemand met gevoel omarmen
  • [1]: uit volle borst zingen
luid zingen
  • [1]: zich op de borst kloppen
zich op iets beroemen
  • [2]: de borst geven
een kind moedermelk uit de borst laten drinken
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bersten

borst

  1. enkelvoud verleden tijd van bersten
    Ik borst.
    Jij borst.
    Hij, zij, het borst.
Synoniemen