bakkes

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bak·kes
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gezicht’ voor het eerst aangetroffen in 1546 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bakkes bakkesen
verkleinwoord bakkesje bakkesjes

Zelfstandig naamwoord

bakkes o [3]

  1. (informeel) gezicht
     Ick souwje wel goedt koop wat voorje lieghen // langhen,
    Houwt den smoel toe, of jou backus sal vlieghen // vanghen.
    [4]
  2. (informeel) mond
Hyponiemen
Synoniemen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen