gezichtsveld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zichts·veld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezichtsveld gezichtsvelden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gezichtsveld o

  1. de ruimte die men met de ogen of een optische instrument overziet
    • De grote vlinder verdween uit het gezichtsveld van de Koning. [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 105