gelaat
Uiterlijk
- ge·laat
- In de betekenis van ‘aangezicht’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
- Naamwoord van handeling van laten met het voorvoegsel ge- [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gelaat | gelaten |
| verkleinwoord | gelaatje | gelaatjes |
het gelaat o
- (anatomie) (verheven taal) de voorzijde van een mensenhoofd met de persoonlijke kenmerken
- Zijn gelaat was van woede tot een grimas vertrokken.
- ▸ ” De paneeldeur gaat open, een zonnebankoranje gelaat met zwart gewatergolfd haar verschijnt.[3]
- ▸ Zij heeft net als u een slank postuur en bruine haren, die mogelijk een deel van haar gelaat bedekten toen de dader haar bed naderde.[4]
- ▸ Het massieve, strenge gelaat en de vier vingers vulden zijn gezichtsveld.[5]
- Het woord gelaat staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "gelaat" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[6] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "gelaat" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ gelaat op website: Etymologiebank.nl
- ↑ “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
- ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280 - ↑ Hans Achterhuis“De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9026315244 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be