reuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reuk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘geur, reukvermogen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord reuk -
verkleinwoord reukje reukjes

Zelfstandig naamwoord

reuk m

    1. (biologie) geur
    2. (biologie) gewaarwording van geur via de neus
  1. (dysfemisme) van parfum
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen