hals

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8,
9, 10, 11, 12, 13, 14
15, 16, 17, 18, 19
Uitspraak
Woordafbreking
  • hals
enkelvoud meervoud
naamwoord hals halzen
verkleinwoord halsje halsjes

Zelfstandig naamwoord

hals m

  1. (anatomie) nauw gedeelte van het lichaam dat het hoofd met de romp verbindt
  2. gedeelte van een kledingstuk waar men de hals door steekt
  3. goedaardig, onnozel mens
  4. op een hals lijkend deel van een voorwerp
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
  1. keel, nek
  2. V-hals
  3. waaghals
  4. flessenhals
Spreekwoorden
  • Iemand om de hals vliegen
Iemand vol enthousiasme omhelzen.
  • Zich iets op de hals halen
Voor zichzelf een probleem creëren.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
halzen

hals

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halzen
    Ik hals.
  2. gebiedende wijs van halzen
    Hals!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halzen
    Hals je?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • hals

Zelfstandig naamwoord

hals g

  1. (anatomie) hals.
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hals     halsen     halsar     halsarna  
genitief   hals     halsens     halsars     halsarnas  
Afgeleide begrippen