voet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voet
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘lichaamsdeel waarop men staat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord voet voeten
verkleinwoord voetje voetjes

Zelfstandig naamwoord

voet m

  1. (anatomie) voortzetting van het been beneden de enkel; lichaamsdeel waar een mens en dier op staan
  2. de bodem van iets, specifiek iets dat ter ondersteuning dient
  3. (eenheid), (verouderd) oude lengtemaat, de exacte lengte is streekafhankelijk, bijvoorbeeld de Engelse voet is 0,3048 meter, de Amsterdamse voet was 0,283 meter
  4. (eenheid), (verouderd) oude oppervlaktemaat, de exacte lengte is streekafhankelijk
  5. afdruk van een voet
  6. basis op grond waarvan iets berekend, bepaald wordt (ruilvoet)
  7. te voet gaan: lopen
     Amateurwielrenners op de Planche des Belles Filles leggen de laatste 200 meter vaak te voet af.[2]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "voet" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink Weblink bron Rob Gollin “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant
  3. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 15


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

voet

  1. voet


Veluws

Zelfstandig naamwoord

voet

  1. voet