Naar inhoud springen

pols

Uit WikiWoordenboek
Röntgenfoto van een normale linkerpols
  • pols
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘handgewricht’ voor het eerst aangetroffen in 1265 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord pols polsen
verkleinwoord polsje polsjes

depolsm

  1. (anatomie) het gewricht tussen onderarm en hand
     ' Ik wrik mijn pols los, steek mijn handen verontschuldigend op naar Marie-Claire en snel naar voren.[4]
     Ze probeerde zich staande te houden op het hellende vlak door met één bijna bevroren hand krampachtig de bovenrand van de cabine vast te houden, en haar andere pols hield bakker-brandweerman Breen in zijn stevige greep.[5]
     Jammer voor je dat het Omega Speedmaster-horloge om je pols met zijn chronograaf, tachymeter en coaxiaal echappement niet kan bevatten dat dit je zevende baan om de aarde is sinds je vanochtend wakker bent geworden, dat de zon op-onder-op-ondergaat als een mechanisch speeltje.[6]
  2. een klopping in de polsslagader, polsslag

De vingers aan de pols houden.

De nieuwste ontwikkelingen bijhouden.

Iets uit de losse pols doen.

Iets met groot gemak doen.
vervoeging van
polsen

pols

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polsen
    • Ik pols. 
  2. gebiedende wijs van polsen
    • Pols! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polsen
    • Pols je? 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]