heup

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heup
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gewricht tussen bovenbeen en romp’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord heup heupen
verkleinwoord heupje heupjes

Zelfstandig naamwoord

heup m

  1. (anatomie) deel van beide zijkanten van het menselijk lichaam ter hoogte van het heupgewricht, waar het been met de romp verbonden is
  2. (anatomie) het heupgewricht
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Het op zijn heupen hebben.
Last hebben van een bui van humeurigheid.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen