eis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eis eisen
verkleinwoord eisje eisjes

Zelfstandig naamwoord

eis m

  1. een dwingende vraag
Gelijkklinkende woorden
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • eisen stellen aan iemand
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
eisen

eis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eisen
    Ik eis.
  2. gebiedende wijs van eisen
    Eis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eisen
    Eis je?


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord eis eise

Zelfstandig naamwoord

eis

  1. eis


Gotisch

enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig mannelijk vrouwelijk onzijdig
nominatief is si ita eis ijos ija
accusatief ina ija ins
genitief is izos is ize izo ize
datief imma izai imma im

Persoonlijk voornaamwoord

eis

  1. zij (nominatief mannelijk meervoud van de derde persoon)


Latijn

Uitspraak
  • IPA: /ˈɛ.jiːs/
enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig mannelijk vrouwelijk onzijdig
nominatief is ea id , eae ea
accusatief eum eam eōs eās
genitief eius eōrum eārum eōrum
datief eīs, iīs
ablatief

Persoonlijk voornaamwoord

ĕīs

  1. hun, aan/voor hen; (aan/voor) deze/die (datief mannelijk of vrouwelijk meervoud van de derde persoon)
  2. er, eraan/ervoor; hieraan/hiervoor, daaraan/daarvoor (datief onzijdig meervoud van de derde persoon)
  3. door/met hen; door/met deze/die (ablatief mannelijk of vrouwelijk meervoud van de derde persoon)
  4. erdoor, ermee; hierdoor/hierdoor, daarmee/daardoor (ablatief onzijdig meervoud van de derde persoon)