basisspeler

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·sis·spe·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord basisspeler basisspelers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

basisspeler m

  1. (spel) (sport) een deelnemer aan een teamsport die vanaf het eerste moment van een wedstrijd, aan de wedstrijd deelneemt

Meer informatie

Gangbaarheid