basisschool

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
basisschool

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·sis·school
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord basisschool basisscholen
verkleinwoord basisschooltje basisschooltjes

Zelfstandig naamwoord

basisschool v/m

  1. (onderwijs) een school voor lager onderwijs
    • Morgen zal hun zoontje voor het eerst naar de basisschool gaan. 
    • In de Baptistenkerk aan de Hoofdweg zijn deze woensdagmorgen de groepen 6, 7 en 8 van de basisscholen De Blokstoeke en De Fontein bijeen. Want het is Dankdag voor Gewas en Arbeid. En waar in grote delen van Nederland deze christelijke feestdag een vrijwel onbekend fenomeen is geworden, wordt er hier in Westerhaar volop aandacht aan besteed. [1] 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Tubantia 08-11-07 Basisscholen Westerhaar vieren Dankdag