fundament

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fun·da·ment
enkelvoud meervoud
naamwoord fundament fundamenten
verkleinwoord fundamentje fundamentjes

Zelfstandig naamwoord

fundament o

  1. de basis waarop een huis wordt gebouwd
    Het fundament was verzakt dus kwamen er diverse scheuren in de muren.
  2. de basis waarop verder gewerkt kan worden
    Het fundament is gelegd door hier de uitgangspunten van deze opdracht te bespreken.
Synoniemen