Naar inhoud springen

loog

Uit WikiWoordenboek
  • loog
  • In de betekenis van ‘oplossing van soda’ voor het eerst aangetroffen in 1330 [1] [2] [3]

erfwoord

Andere Germaanse talen

Andere Indo-Europese talen

enkelvoud meervoud
naamwoord loog logen
verkleinwoord loogje loogjes

hetloogo

  1. (scheikunde) een alkalische substantie
    • Zuren en logen zijn elkaars tegenvoeters. 
vervoeging van
logen

loog

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van logen
    • Ik loog. 
  2. gebiedende wijs van logen
    • Loog! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van logen
    • Loog je? 
vervoeging van
liegen

loog

  1. enkelvoud verleden tijd van liegen
    • Ik loog. 
    • Jij loog. 
    • Hij, zij, het loog. 
     'Jullie hebben hier iemand nodig, señorita,' zei ze. 'Dit is Londen niet. Kunnen jullie koken?'
    'Nee.'
    'Schoonmaken?' 'Nee.'
    'Paardrijden?'
    'Nee!'
    'Ik help wel.'
    'Hoe oud ben jij dan?'
    'Achttien,' loog Teresa, want in werkelijkheid was ze pas zestien.
    [4]
     Mijn man loog over feiten, haar man loog over gevoelens.[5]
98 %van de Nederlanders;
90 %van de Vlamingen.[6]