loog
Uiterlijk
- loog
|
Andere Germaanse talen |
Andere Indo-Europese talen |
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | loog | logen |
| verkleinwoord | loogje | loogjes |
het loog o
- (scheikunde) een alkalische substantie
- Zuren en logen zijn elkaars tegenvoeters.
| vervoeging van |
|---|
| logen |
loog
| vervoeging van |
|---|
| liegen |
loog
- enkelvoud verleden tijd van liegen
- Ik loog.
- Jij loog.
- Hij, zij, het loog.
- Ik loog.
- ▸ 'Jullie hebben hier iemand nodig, señorita,' zei ze. 'Dit is Londen niet. Kunnen jullie koken?'
'Nee.'
'Schoonmaken?' 'Nee.'
'Paardrijden?'
'Nee!'
'Ik help wel.'
'Hoe oud ben jij dan?'
'Achttien,' loog Teresa, want in werkelijkheid was ze pas zestien.[4] - ▸ Mijn man loog over feiten, haar man loog over gevoelens.[5]
- Het woord loog staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "loog" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 90 % | van de Vlamingen.[6] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "loog" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ loog op website: Etymologiebank.nl
- ↑ loog op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Erfwoord in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Scheikunde in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 90 %