aap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: AAP
[1] Een aap (chimpansee).

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aap apen
verkleinwoord aapje aapjes

Zelfstandig naamwoord

aap m

  1. (primaten) benaming voor soorten uit de orde primaten (Primates op Wikispecies) waartoe ook de mens behoort
    • Omdat een aap zoveel op een mens lijkt vinden we het leuk om aapjes te kijken in de dierentuin en misschien vinden de apen het ook leuk om mensje te kijken. 
  2. (schertsend), (persoon) deugniet, ondeugend persoon
    • De apen moeten weer van school gehaald worden en dus is het weer gedaan met de rust in huis. 
     En waar zijn die twee apen gebleven? Goh, wat heb ik vanmiddag een lol om ze gehad.[4]
  3. (scheepvaart) min of meer vierkant zeil dat op oude zeilschepen gebruikt werd om meer zeil bij te zetten
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
aapnootMiesWimzusJetTeunvuurGijslamkeesbokweidedoeshokduifschapen
grote leesplank, met klikbare woorden
Spreekwoorden

[1] Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding.

  • Iets dat of iemand die lelijk is, zal nooit mooi worden, ook niet met allerlei opsmuk.

[1] Daar komt de aap uit de mouw.

  • De eigenlijke bedoeling blijkt nu pas/ Nu blijkt pas wat er eigenlijk aan de hand is.

[1] Aap, wat heb je mooie jongen.

  • Gezegd over iemand die overdreven trots of (met een bijbedoeling) vriendelijk is.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: Zich een aap lachen
Heel erg moeten lachen
  • [1]: Iemand voor de aap houden
Iemand beetnemen
  • [1]: Iemand voor aap zetten
Iemand voor schut zetten
  • [1]: In de aap gelogeerd zijn
Onverwacht in moeilijkheden geraakt zijn[5]
  • [1]: Voor aap staan
Voor gek staan, zichzelf belachelijk maken
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen


Achterhoeks

enkelvoud meervoud
naamwoord aap apen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aap

  1. (primaten) aap
  2. (persoon) aap; metaforisch voor een zich primitief gedragende mens


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

aap m

  1. (Hooglimburgs), (primaten) aap
Verbuiging



Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord aap apen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aap

  1. (primaten) aap
  2. (persoon) aap; metaforisch voor een zich primitief gedragende mens
Schrijfwijzen


Veluws

Zelfstandig naamwoord

aap

  1. (primaten) aap
  2. (persoon) aap; metaforisch voor een zich primitief gedragende mens