apegapen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ape·ga·pen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord apegapen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

apegapen o

  1. op ~ liggen: uitgeput zijn
    • Hij lag de hele dag op apegapen. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Verwijzingen