vis
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /vɪs/
Woordherkomst en -opbouw
Woordafbreking
- vis
| [1] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | vis | vissen |
| verkleinwoord | visje | visjes |
| [2] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | vis | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
vis m
- (vissen) Pisces
, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
- Door de overvloedige visvangst worden sommige vissen steeds schaarser.
- (metonymisch) het vlees van een vis (1)
- Vis wordt beschouwd als hersenvoer.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
zich op zijn plek voelen
goed zwemmen
hulpeloos
zeer gezond
in dit water is veel vis aanwezig
hij is nergens geschikt voor
niet weten of men iets aan iemand heeft
niet goed in te delen, kan het en en kan het ander zijn
uitschelden
|
Spreekwoorden
bij het eten van vis moet veel gedronken worden
dat kun je verwachten van bepaalde mensen in bepaalde omstandigheden
je moet niet te lang blijven plakken
de hogere lagen in een hiërarchie gebruiken de lagere voeren eigen doelen
het vereist zware offers (Herman Heijermans, Op Hoop van Zegen)
er wordt geëist dat er contant betaald wordt
|
Vertalingen
1. Pisces, gewerveld dier met kieuwen, levend in water
|
|
2. het vlees van een vis
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| vissen |
vis
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vissen
- Ik vis.
- gebiedende wijs van vissen
- Vis!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vissen
- Vis je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vis | visse |
Zelfstandig naamwoord
vis
Deens
Woordafbreking
- vi·es
Bijvoeglijk naamwoord
vis
Werkwoord
vis
- lijdende vorm in de tegenwoordige tijd van vi
Schrijfwijzen
Frans
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| vis | le vis | vis | les vis |
Zelfstandig naamwoord
vis m
Afgeleide begrippen
Werkwoord
vis
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vivre
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van vivre
- eerste persoon enkelvoud passé simple van voir
- tweede persoon enkelvoud passé simple van voir
Latijn
Zelfstandig naamwoord
vis v
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| vĕlle |
vīs
- actief indicatief praesens, tweede persoon enkelvoud van vĕlle
Noors
Uitspraak
Woordafbreking
- vis
Woordherkomst en -opbouw
- (betekenis: wijze) Afkomstig van het Oudnoorse woord vís
- (betekenis: wijs) Afkomstig van het Oudnoorse woord víss.
| stellend | vergrotend | overtreffend | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald (sterk) |
m/v enkelvoud | vis | visere | visest |
| o enkelvoud | vis | |||
| meervoud | vise | |||
| bepaald (zwak) |
enkelvoud en meervoud |
vise | visere | viseste |
Bijvoeglijk naamwoord
vis
- wijs
- «En vis mann har sagt at ...»
- Een wijze man heeft gezegd dat ...
- «En vis mann har sagt at ...»
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | vis | |||
| genitief | ||||
Zelfstandig naamwoord
[A] vis m
Spreekwoorden
- En dåre kan spørre mer enn ti vise kan svare.
Een gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden.
Uitdrukkingen en gezegden
- de vise menn fra Østerland
de wijzen uit het oosten
| m/v | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | vis | m: visen v: visa |
viser | visene |
| genitief | vis' | m: visens v: visas |
visers | visenes |
| o | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | vis | viset | vis | visa |
| genitief | vis' | visets | vis | visas |
Zelfstandig naamwoord
- wijze, manier
- «De pengene har han ikke tjent på ærlig vis.»
- Het geld dat hij heeft, heeft hij niet op eerlijke manier verdiend.
- «De pengene har han ikke tjent på ærlig vis.»
Nynorsk
Uitspraak
Woordafbreking
- vis
Woordherkomst en -opbouw
- (betekenis: wijze) Afkomstig van het Oudnoorse woord vís
- (betekenis: wijs) Afkomstig van het Oudnoorse woord víss.
| stellend | vergrotend | overtreffend | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald (sterk) |
m/v enkelvoud | vis | visare | visast |
| o enkelvoud | vis | |||
| meervoud | vise | |||
| bepaald (zwak) |
enkelvoud en meervoud |
vise | visare | visaste |
Bijvoeglijk naamwoord
vis
- wijs
- «Ein vis mann har sagt at ...»
- Een wijze man heeft gezegd dat ...
- «Ein vis mann har sagt at ...»
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | vis | |||
Zelfstandig naamwoord
[A] vis m
Spreekwoorden
En dåre kan spørje meir enn ti vise kan svare.
- Een gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden.
Uitdrukkingen en gezegden
- dei vise menn frå Austerland
de wijzen uit het oosten
| m | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | vis | visen | visar | visane |
| v | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | vis | visa | viser | visene |
| o | enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | vis | viset | vis | visa |
Zelfstandig naamwoord
Zweeds
Bijvoeglijk naamwoord
vis
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Vissen in het Nederlands
- Metonymisch in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Afrikaans
- Zelfstandig naamwoord in het Afrikaans
- Vissen in het Afrikaans
- Woorden in het Deens
- Bijvoeglijk naamwoord in het Deens
- Werkwoordsvorm in het Deens
- Woorden in het Frans
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Woorden in het Latijn
- Zelfstandig naamwoord in het Latijn
- Werkwoordsvorm in het Latijn
- Woorden in het Noors
- Bijvoeglijk naamwoord in het Noors
- Zelfstandig naamwoord in het Noors
- Dubbele betekenis in het Noors
- Woorden in het Nynorsk
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nynorsk
- Zelfstandig naamwoord in het Nynorsk
- Dubbele betekenis in het Nynorsk
- Woorden in het Zweeds
- Bijvoeglijk naamwoord in het Zweeds