Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Vietnamees

Zelfstandig naamwoord

  1. grootmoeder: moeder van een van de ouders
    Cha mẹ không may mất sớm để lại đứa cháu thơ dại cho . – De ouders stierven jong en lieten hun kindjes aan de grootouders.
    nội – moeder van de vader
    ngoại – moeder van de moeder
  2. groottante: zus van een ouder of iemand van dezelfde generatie
    thím – groottante
  3. mevrouw: aanspreekvorm voor oudere vrouwen die men niet zo goed kent
    Nguyễn thị X – mevrouw Nguyen thi X
    chủ tịch xã – mevrouw de voorzitster
    Thưa quý ông, quý . – Dames en heren.
  4. bazige vrouw

Voornaamwoord

  1. ik, jij, zij: persoonlijk voornaamwoord gebruikt voor en door een grootmoeder of groottante
  2. u, zij: beleefde manier om oudere vrouwen die men niet zo goed kent mee aan te spreken of om naar ze te refereren
    chỉ hộ cháu đường ra ga. – Zou u me de weg naar het station kunnen wijzen?
Synoniemen

bà ấy (in 3de persoon), bà ta (in 3de persoon, minder respectvol)

Afgeleide begrippen

các bà, ông bà