zon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Zon

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: sonne
Oudnederlands: sunna
Germaans: *sunnōn
Indo-Europees: *sóh₂wl̥
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: sun (Angelsaksisch: sunne), Duits: Sonne, (Oudhoogduits: sunna), Fries: sinne (Oudfries: sunne)
Noord: Oudnoors: sunna, IJslands/Faeröers: sunna
Oost: Gotisch: sunno
enkelvoud meervoud
naamwoord zon zonnen
verkleinwoord zonnetje zonnetjes

Zelfstandig naamwoord

zon v/m

  1. (astronomie) de ster waar de planeet aarde omheen draait, hemellichaam dat o.a. de aarde het daglicht schenkt
    Als de zon schijnt, gaan veel mensen graag naar buiten.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • er is niets nieuws onder de zon
de geschiedenis herhaalt zich steeds weer
  • voor niets gaat de zon op
voor alle andere dingen moet je betalen
  • het zonnetje in huis zijn
een opgewekt persoon zijn
  • de zon niet in het water kunnen zien schijnen
een ander niets gunnen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
zinnen

zon

  1. enkelvoud verleden tijd van zinnen
    Ik zon.
    Jij zon.
    Hij, zij, het zon.
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
zonnen

zon

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zonnen
    Ik zon.
  2. gebiedende wijs van zonnen
    Zon!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zonnen
    Zon je?

Werkwoord

vervoeging van
zinnen

zon

  1. onpersoonlijke verleden tijd van zinnen
Verwante begrippen