tuig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het tuig van een yawl - met de bezaanmast achter het roer.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘toestel, gerei’ voor het eerst aangetroffen in 1500 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord tuig tuigen
verkleinwoord tuigje tuigjes

Zelfstandig naamwoord

tuig o

  1. ding, voorwerp
    • Pas op anders gaat dat hele tuig in de fik. 
  2. (techniek) machine of gebruiksklare constructie, die is ingericht om een activiteit of bezigheid te verrichten of eenvoudiger te maken: rijden, spelen, varen enz.
    • Als het tuig eenmaal in de ruimte is, begint de gewichtsloosheid een rol te spelen. 
  3. plebs, lieden van laag allooi
    • Ik laat me door dat tuig niet in de wielen rijden. 
  4. harnas, verzameling riemen waarmee een persoon of dier in bedwang gehouden kan worden
    • Met dit tuigje kunnen we tenminste verhinderen dat onze peuter uit zijn kinderstoel valt. 
  5. (scheepvaart) de verzamelnaam voor alle zeilen, staand (vast) en lopend (beweegbaar) want, het touwwerk en de rondhouten die nodig zijn om een schip voort te bewegen en om een schip te laten ankeren
    • De klippers waren snelle schepen met een imposant tuig. 
  6. vistuig
Antoniemen
Hyponiemen
Hyponiemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tuigen

tuig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuigen
    • Ik tuig. 
  2. gebiedende wijs van tuigen
    • Tuig! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tuigen
    • Tuig je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Iers

Uitspraak

Werkwoord

tuig

  1. verstaan, begrijpen
    «An dtuigan tu? - Ní thuigim.»
    Begrijp je? - Nee.