apparaat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ap·pa·raat
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord apparaat apparaten
verkleinwoord apparaatje apparaatjes

Zelfstandig naamwoord

apparaat o

  1. (techniek) een voorwerp dat samenstelsel is van verschillende onderdelen
    • Een mes is geen apparaat terwijl een keukenmachine dat wel is. 
    • Het apparaat is door de ingeslagen bliksem kapotgegaan. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl