zeil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: zijl

Nederlands

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord zeil zeilen
verkleinwoord zeiltje zeiltjes
Woordafbreking
  • zeil

Zelfstandig naamwoord

zeil o

  1. (scheepvaart) doek dat in een mast gehesen is met als doel wind te vangen
  2. het geheel van alle zeilen van een schip
  3. vloerbedekking met een onderlaag van weefsel (jute) en een harde kunststof bovenlaag (b.v. linoleum)
  4. doek voor diverse doeleinden (afdekken)
  5. schip (alleen in de uitdrukking: een vloot van x zeilen)
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwante begrippen
  1. zeilboot, surfplank
  2. onder zeil
  3. linoleum, marmoleum
  4. zeildoek
  5. vloot
Spreekwoorden
  • zeil hijsen, zetten
  • het zeil de mast in omhoog halen
  • zeil strijken
  • het zeil uit de mast weer omlaag halen
  • zeil in top zetten
  • het zeil helemaal naar boven hijsen
  • veel zeil voeren
  • met veel zeilen gehesen varen
  • alle zeilen bijzetten
  • alles uit de kast halen om het alsnog te halen
  • met volle zeilen
  • alle zeilen gehesen
  • het zeil reven
  • het zeiloppervlak verminderen
  • het zeil trimmen
  • het zeil in optimale stand zetten
  • onder zeil
  • letterlijk: zeilend
  • figuurlijk: slapend
  • een oogje in het zeil houden
  • bewaken, toezien op
  • met de zeilen voor de mast liggen
  • helemaal klaar staan
  • met een nat zeil thuis komen
  • ondanks tegenwind (tegenwerking) toch bij het doel aankomen
  • met opgestoken zeilen
  • driftig
  • Onder een staand zeil is het goed roeien
  • naast een vast inkomen met wat klusjes wat bijverdienen om goed rond te kunnen komen
  • Een vloot van twintig zeilen
  • een vloot van twintig schepen

Werkwoord

vervoeging van
zeilen

zeil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeilen
    Ik zeil.
  2. gebiedende wijs van zeilen
    Zeil!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeilen
    Zeil je?