teugel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • teu·gel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘toom’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • afgeleid van het sterke werkwoord tijgen (ook: tiegen) met het achtervoegsel -el [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord teugel teugels
verkleinwoord teugeltje teugeltjes

Zelfstandig naamwoord

teugel m

  1. riem of koord waarmee men een last- of rijdier bestuurt
    • Met een krachtige ruk aan de teugels kwam het paard tot stiltand. 
  2. de streek bij vogels tussen het oog en de wortel van de bovensnavel
    • Bij het roodborstje is ook de teugel rood. 
Synoniemen
  1. (riem of koord voor het besturen van dieren)
Afgeleide begrippen
  1. (riem of koord voor het besturen van dieren)
Uitdrukkingen en gezegden
  • de teugels afwerpen
    • zich aan het gezag onttrekken
  • de teugels vieren
    • de druk verminderen
  • iemand de vrije teugel laten
    • iemand z'n gang laten gaan
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen