geboefte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·boef·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geboefte geboeften
geboeftes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

geboefte o

  1. boevenvolk, gespuis
Vertalingen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders
70 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van  boef zn  met het omvoegsel ge- -te dat een verzameling aangeeft, in de betekenis van ‘gespuis’ voor het eerst aangetroffen in 1400 [1][2][3]

Zelfstandig naamwoord

geboefte o

  1. boevenvolk, gespuis
Overerving en ontlening

Verwijzingen