vliegtuig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een vliegtuig.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vlieg·tuig
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vliegtuig vliegtuigen
verkleinwoord vliegtuigje vliegtuigjes

Zelfstandig naamwoord

vliegtuig o

  1. (verkeer) een vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
    • Reist u vaak per vliegtuig? 
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

vliegtuig

  1. vliegtuig