inrichting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·rich·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inrichting inrichtingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

inrichting v

  1. instituut voor ontspoorden
    • De ontspoorde jongere belandde in een penitentiaire inrichting. 
  2. de wijze waarop iets ingericht is, hoe dingen zijn neergezet in een ruimte, hoe ruimtes zijn verdeeld
    • We hebben veel aandacht besteed aan de inrichting van de winkel. 
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

inrichting

  1. inrichting


Veluws

Zelfstandig naamwoord

inrichting

  1. inrichting