slof

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Sloffen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slof
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slof sloffen
verkleinwoord slofje slofjes

Zelfstandig naamwoord

slof m [2] [3]

  1. (kleding) een comfortabel soort schoeisel bedoeld om in huis te gedragen te worden (pantoffel zonder hak en hiel), muil, muiltje, slipper
    • Hij liep nog op zijn sloffen. 
  2. samen verpakte kleinere pakjes
    • Geef mij die hele slof sigaretten maar. 
  3. spanen hengselmandje voor vruchten
  4. (meer algemeen) langwerpig voorwerp
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Op een schoen en een slof aankomen
niets hebben en ergens komen
  • Uit zijn slof schieten
erg boos worden ofwel: erg actief worden
  • Het vuur uit de sloffen lopen
heel erg zijn best doen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen slof sloffer slofst
verbogen sloffe sloffere slofste
partitief slofs sloffers -

Bijvoeglijk naamwoord

slof [5]

  1. slordig, gemakzuchtig

Werkwoord

vervoeging van
sloffen

slof

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sloffen
    • Ik slof. 
  2. gebiedende wijs van sloffen
    • Slof! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sloffen
    • Slof je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen