Naar inhoud springen

hak

Uit WikiWoordenboek
Vrouw met hak [3]
  • hak
  • In de betekenis van ‘landbouwwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1301 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord hak hakken
verkleinwoord hakje hakjes

de hakm

  1. (anatomie) hiel van de voet [3]
  2. verhoging onder een schoen bij de hiel
  3. (gereedschap) werktuig om de grond mee open te hakken [4]
  • een hak zetten
    iemand opzettelijk benadelen zodra dat kan [5]
  • [2] met de hakken over de sloot halen
    maar nét met succes afronden
  • op de hak nemen
    bespotten
  • van de hak op de tak springen
    op een onsamenhangende manier van het ene onderwerp naar het andere overgaan [6]
•  In mijn enthousiasme is het soms moeilijk mijn verhalen te volgen, omdat ik geneigd ben van de hak op de tak te springen.[7] 
vervoeging van
hakken

hak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakken
    • Ik hak. 
  2. gebiedende wijs van hakken
    • Hak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakken
    • Hak je? 
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]


  • hak
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hak     hakið     hök     hökin  
genitief   haks     haksins     haka     hakanna  
datief   haki     hakinu     hökum     hökunum  
accusatief   hak     hakið     hök     hökin  

hak, o

  1. hak, inkeping, keep, kerf, kartel
  • hak
  1. accusatief onbepaald onzijdig enkelvoud van hak



hak

  1. recht


hak

  1. haak


hak

  1. recht