hak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Vrouw met hak [3]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hak hakken
verkleinwoord hakje hakjes

Zelfstandig naamwoord

hak m

  1. (anatomie) hiel van de voet [2]
  2. verhoging onder een schoen bij de hiel
  3. (gereedschap) werktuig om de grond mee open te hakken [3]
Spreekwoorden

Met de hakken over de sloot iets gehaald hebben.

  • Iets nét aan gehaald hebben.

Iemand een hak zetten. [4]

  • De gelegenheid benutten om iemand nadeel te berokkenen.

Van de hak op de tak springen. [5]

  • Van het ene onderwerp naar het andere overspringen zonder een verband ertussen te leggen.

Iemand op de hak nemen.

  • Iemand bespotten.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
hakken

hak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakken
    Ik hak.
  2. gebiedende wijs van hakken
    Hak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakken
    Hak je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl
  4. etymologiebank.nl
  5. etymologiebank.nl


IJslands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hak
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hak     hakið     hök     hökin  
genitief   haks     haksins     haka     hakanna  
datief   haki     hakinu     hökum     hökunum  
accusatief   hak     hakið     hök     hökin  

Zelfstandig naamwoord

hak, o

  1. hak, inkeping, keep, kerf, kartel

Zelfstandig naamwoord

  • hak
  1. accusatief onbepaald onzijdig enkelvoud van hak




Indonesisch

Zelfstandig naamwoord

hak

  1. recht


Pools

Zelfstandig naamwoord

hak

  1. haak


Turks

Zelfstandig naamwoord

hak

  1. recht