hak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Vrouw met hak [3]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hak
enkelvoud meervoud
naamwoord hak hakken
verkleinwoord hakje hakjes

Zelfstandig naamwoord

hak m

  1. (anatomie) hiel van de voet
  2. verhoging onder een schoen bij de hiel
  3. (gereedschap) werktuig om de grond mee open te hakken
Spreekwoorden

Met de hakken over de sloot iets gehaald hebben.

  • Iets nét aan gehaald hebben.

Iemand een hak zetten.

  • De gelegenheid benutten om iemand nadeel te berokkenen.

Van de hak op de tak springen.

  • Van het ene onderwerp naar het andere overspringen zonder een verband ertussen te leggen.

Iemand op de hak nemen.

  • Iemand bespotten.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hakken

hak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakken
    Ik hak.
  2. gebiedende wijs van hakken
    Hak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakken
    Hak je?


IJslands

Zelfstandig naamwoord

hak

  1. kerf, inkeping


Indonesisch

Zelfstandig naamwoord

hak

  1. recht


Pools

Zelfstandig naamwoord

hak

  1. haak


Turks

Zelfstandig naamwoord

hak

  1. recht