Naar inhoud springen

kisten

Uit WikiWoordenboek
  • kis·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kisten
kistte
gekist
zwak -t volledig

kisten [2]

  1. onovergankelijk een kisting of kist maken
  2. overgankelijk een lijk in de doodkist leggen
  • Iemand kisten
Iemand beetnemen

dekistenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kist
     Jonge zeehonden: Ollie en Brandy zijn allebei nog jonge zeehonden. Ollie werd half januari gevonden op Schiermonnikoog, pas tien dagen oud, met een abces op zijn rug. Brandy kwam begin maart van Terschelling, met diepe wonden aan zijn flippers. Beiden waren na weken van verzorging gisteren weer fit genoeg om terug te keren naar zee. Ze werden uit hun bassin in Pieterburen gehaald, in kisten gedaan en naar Lauwersoog vervoerd. Vanaf daar voeren ze met de boot naar een zandplaat bij Schiermonnikoog.[3]
vervoeging van
kissen

kisten

  1. meervoud verleden tijd van kissen
    • Wij kisten. 
    • Jullie kisten. 
    • Zij kisten. 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. kisten op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink geraadpleegd op 20 april 2025 Weblink bron “Pieterburen is echt (bijna) leeg na vrijlating Ollie en Brandy” (20 april 2025), NOS
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be