Schuh

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Schuh
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelhoogdeuitse woord  schuoch zn , dat van het Oudhoogduitse woord  scouh zn  met gotische en Indo-Europese wortels, verwandt aan het Nederlandse woord  schoen zn  en het Engelse woord  shoe zn 
enkelvoud meervoud
nominatief der Schuh die Schuhe
genitief des Schuhs der Schuhe
datief dem Schuh den Schuhen
accusatief den Schuh die Schuhe

Zelfstandig naamwoord

Schuh, m

  1. (schoeisel) schoen
    «Nur sein linker Schuh glänzte frisch geputzt.»
    Alleen zijn linker schoen glansde pas schoongemaakt.

Meer informatie


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Schuh
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Duitse woord  Schuh zn 
enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Schuh es Schuh Schuh die Schuh
datief me Schuh em Schuh Schuh de Schuh
accusatief en Schuh es Schuh Schuh die Schuh

Zelfstandig naamwoord

Schuh, m

  1. (kleding) schoen
    «Die Escheputtel kummt in es Schtubb. “Sei so gut un browier der Schuh”, saagt der Keenichsoh. Der Schuh basst ihr fehlerfrei.»
    Assepoester komt de kamer binnen. 'Wees zo goed en probeer de schoen', zegt de koningszoon. De schoen past precies.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Opmerkingen

Meer informatie