remschoen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

remschoen van een molen
Uitspraak
Woordafbreking
  • rem·schoen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord remschoen remschoenen
verkleinwoord remschoentje remschoentjes

Zelfstandig naamwoord

remschoen m [2]

  1. deel van een rem waar een bewegend en een stilstaand deel tegen elkaar drukken
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen