malus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·lus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord malus malussen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

malus m

  1. (financieel) verhoging van een verzekeringspremie volgens een bepaalde maatstaf als een verzekerde een uitkering heeft geclaimd of door ander gedrag een hoger risico lijkt te vormen
    • Daarbij is het tarief afhankelijk van het aantal schadevrije jaren van de verzekerde. Hoe meer dat er worden, des te lager de premie (bonus), die bij schade weer oploopt (malus). [2]
  2. volgens een bepaalde maatstaf verhoogde betaling of verlaagde uitkering voor een bepaalde periode als afgesproken resultaten onvoldoende zijn bereikt
    • Bedrijven hadden alleen last van de malus als ze hun eigen plannen niet haalden, of niks indienden. [3]
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Latijn

Bijvoeglijk naamwoord

malus

  1. slecht, ongunstig, nadelig
  2. gemeen, laag
  3. oneerlijk, onbetrouwbaar
  4. (politiek) kwaadgezind
  5. (poëtisch) ondeugend
  6. onbekwaam
  7. gebrekkig
  8. ongeschikt
  9. onbetekenend
  10. lelijk (van uiterlijk)
  11. schadelijk
  12. (poëtisch) lastig, drukkend'
Uitdrukkingen en gezegden
  • in peiorem partem mutari
    • een ongunstige wending nemen
  • in peius ruere
    • vergeten
Verbuiging

Zelfstandig naamwoord

mālus v

  1. appelboom, vruchtboom
Uitdrukkingen en gezegden
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

mālus m

  1. paal, balk (in een toren of wijnpers)
  2. mast (van een schip)
Verbuiging