uiterlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ui·ter·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘visueel waarneembaar’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1]
  • afgeleid van uit met het invoegsel -er- met het achtervoegsel -lijk [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord uiterlijk uiterlijken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

uiterlijk o

  1. zoals iets of iemand er van buiten uitziet
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen uiterlijk uiterlijker uiterlijkst
verbogen uiterlijke uiterlijkere uiterlijkste
partitief uiterlijks uiterlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

uiterlijk

  1. betrekking hebbend op de buitenkant van iets of iemand
    • Een uiterlijk kenmerk van deze vogelsoort is een rode stuit. 
  2. het laatst nog aanvaardbare
    • Dit is de uiterlijke datum van inzending. 


Bijwoord

uiterlijk

  1. het laatst nog aanvaardbare
    • Dit moet uiterlijk op 1 juni ingezonden zijn. 


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen