trouw
Uiterlijk
- trouw
- erfwoord via Middelnederlands trouwe van Oudnederlands triuwa, cognaat met Duits treu en Engels true "waar, waarachtig, betrouwbaar"; in de betekenis van ‘loyaal’ aangetroffen vanaf 1291 [1] [2] [3] [4] [5] [6]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | trouw | [2] trouwen |
| verkleinwoord | [2] trouwtje | [2] trouwtjes |
de trouw m
- naleving van een (morele) verbintenis
- ▸ Die lieve, integere Italiaan met zijn theorieën over familiebanden en over tradities in zijn dorp, over trouw zijn aan de gemeenschap, aan elkaar.[7]
- huwelijk en de uitsluitende gerichtheid op de partner in een huwelijk of vaste relatie
|
|
- te goeder trouw
- te kwader trouw
- Hou en trouw (beloven)
elkaar overal (zullen) helpen
- Iemand van kwade trouw verdenken
verdenken dat iemand bedriegt
1. het zich houden aan...
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | trouw | trouwer | trouwst |
| verbogen | trouwe | trouwere | trouwste |
| partitief | trouws | trouwers | - |
trouw
- van iets of iemand dat men er altijd op kan vertrouwen
- ▸ Ze waren haar altijd trouw gebleven, ook als de rest van haar wereld uiteenviel.[8]
- Hij is een trouwe werknemer voor zijn baas.
- ▸ Barbie bleef altijd trouw bij haar, terwijl de anderen vooruitliepen om de weg te verkennen.[9]
- ▸ Het zijn schoenen die je niet kapot kunt krijgen, schoenen die nog trouw bij de voordeur staan te wachten als je enkels het allang niet meer doen van de artritis.[10]
- ▸ Ze waren haar altijd trouw gebleven, ook als de rest van haar wereld uiteenviel.[8]
| vervoeging van |
|---|
| trouwen |
trouw
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trouwen
- Ik trouw.
- gebiedende wijs van trouwen
- Trouw!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trouwen
- Trouw je?
- ▸ 'Waarom trouw je zelf niet als je zo zeker weet dat een huwelijk haar toekomst veilig zal stellen? Je hoeft je geen zorgen meer te maken over haar opvoeding.[11]
- Het woord trouw staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "trouw" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[12] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ trouw op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "trouw" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- ↑ Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024586332 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Erfwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %