trouw

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trouw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trouw [2] trouwen
verkleinwoord [2] trouwtje [2] trouwtjes

Zelfstandig naamwoord

trouw m

  1. naleving van een (morele) verbintenis
  2. huwelijk en de uitsluitende gerichtheid op de partner in een huwelijk of vaste relatie
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
elkaar overal (zullen) helpen
  • Iemand van kwade trouw verdenken
verdenken dat iemand bedriegt
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen trouw trouwer trouwst
verbogen trouwe trouwere trouwste
partitief trouws trouwers -

Bijvoeglijk naamwoord

trouw

  1. op wie men steeds opnieuw een beroep kan doen
    • Hij is een trouwe werknemer voor zijn baas. 
     Barbie bleef altijd trouw bij haar, terwijl de anderen vooruitliepen om de weg te verkennen.[7]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
trouwen

trouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trouwen
    • Ik trouw. 
  2. gebiedende wijs van trouwen
    • Trouw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trouwen
    • Trouw je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen