straf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • straf
Woordherkomst en -opbouw
  • waarschijnlijk ontstaan uit het bijvoeglijk naamwoord.
enkelvoud meervoud
naamwoord straf straffen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

straf v/m

  1. (juridisch) maatregel of behandeling ter vergelding van een misdaad of overtreding
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen straf straffer strafst
verbogen straffe straffere strafste

straf

  1. sterk, geconcentreerd
    Straffe koffie.
    Straffe verhalen.
  2. streng
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
straffen

straf

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van straffen
    Ik straf.
  2. gebiedende wijs van straffen
    Straf!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van straffen
    Straf je?


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord straf strawwe

Zelfstandig naamwoord

straf

  1. straf
stellend attributief vergrotend overtreffend
straf strawwe strawwer strafste

Bijvoeglijk naamwoord

straf

  1. straf, streng
    «'n Strawwe winter.»
    Een strenge winter.
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
straf
gestraf
volledig

Werkwoord

straf

  1. (overgankelijk) straffen
    «Sy vroulike aansig is sagter en eerder beïnvloedend as strawwend
    Zijn vrouwelijk aspect is zachter en eerder beïnvloedend dan straffend.