lelijk
Uiterlijk
- le·lijk
- in de betekenis van ‘niet mooi’ voor het eerst aangetroffen in 1220 [1]
- afkomstig van:
- Middelnederlands: lee(t)lijc (leet + -lijc), zie ook -lijk
- Verwant in Germaans:
- Oudhoogduits: leidlîh, Fries: lilk, Oudfries: lêthlic
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | lelijk | lelijker | lelijkst |
| verbogen | lelijke | lelijkere | lelijkste |
| partitief | lelijks | lelijkers | - |
lelijk
- onprettig om naar te kijken, niet mooi
- Dat is een lelijk huis.
- ▸ Een oorringetje, wat ik bij mannen altijd erg lelijk had gevonden.[2]
- ▸ En naast de dominee staat de bruidegom, Nella's probleem, Nella's doel, perfect in het zwart, met geborstelde fluwelen muilen, een gezicht dat niet mooi en niet lelijk is, een stijf gesteven overhemd, een uiterst precies geknipte baard.[3]
- ▸ En ineens stonden ze voor een hol en zagen achterin de gloed van een vuur. Er was een lelijk oud wijf dat, zachtjes mompelend, in een pot boven het vuur stond te roeren.[4]
- ▸ Wie aan Nederland denkt, denkt aan fietsen. Nederlanders en fietshelmen zijn een minder goede combinatie. We vinden ze lelijk, niet lekker zitten, en bijna niemand draagt ze.[5]
lelijk ogen
- al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding
- lelijk mee in de maag zitten
een bezit waar men veel last van heeft
- ∗ Je kunt wel zien dat u er lelijk mee in uw maag zit dat ik jullie heb opgespoord en dat de politie maandag op de stoep staat.[2]
- een lelijk gezicht trekken
met behulp van een gezichtsuitdrukking aangeven dat men iets niet fraai vindt
- ∗ De actrice trekt een lelijk gezicht.[3]
- lelijk doen
onaardig doen
- ∗ 'Ik heb zo lelijk tegen je gedaan,' fluistert Thea.[3]
1. onprettig om naar te kijken, niet mooi
lelijk ogen
|
- Het woord lelijk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "lelijk" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[6] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "lelijk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- 1 2 Tatiana Rosnay“Kwetsbaar” (2010), Artemis & co, ISBN 9789047201625
- 1 2 3 Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024586332 - ↑ “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat
, p. 12 - ↑
Weblink bron Noor de Kort“Nederlanders willen geen fietshelm, maar dat gaat misschien veranderen” (16 april 2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %