stroom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stroom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stroom stromen
verkleinwoord stroompje stroompjes

Zelfstandig naamwoord

stroom m

  1. rivier, beek
    • Bij donker woud en brede stromen. 
  2. (elektrotechniek) elektrische stroom
    • We zitten zonder stroom, dat wordt geen accu opladen vandaag. 
  3. in bepaalde richting bewegende massa, zoals een groep mensen, dieren, andere objecten
    • Tegen de stroom in lopen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stromen

stroom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stromen
    • Ik stroom. 
  2. gebiedende wijs van stromen
    • Stroom! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stromen
    • Stroom je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl