lui

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lui
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lui luier luist
verbogen luie luiere luiste

Bijvoeglijk naamwoord

lui

  1. werkschuw, niet houdend van inspanning of werk
    Ik ben vandaag erg lui geweest.
  2. geschikt om op zijn gemak in te zijn
    Hij zat in zijn luie stoel.
Synoniemen
Anagrammen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord - lui
verkleinwoord - luitjes

Zelfstandig naamwoord

lui mv

  1. lieden, mensen (plurale tantum)
Synoniemen
Vertalingen


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
lui
gelui
volledig

Werkwoord

lui

  1. luiden
    «"Luidens die berig.... " wil dan sê dat dit is hoe die berig gelui het, d.w.s. wat in die berig beweer is.»
    "Luidens het bericht...." wil dan zeggen dat dit is hoe het bericht geluid heeft, d.w.z. wat er in het bericht beweerd is.
Afgeleide begrippen


Frans

Uitspraak
nominatief genitief datief accusatief locatief benadrukt
il son / sa /
ses
lui le y lui
nominatief genitief datief accusatief locatief benadrukt
elle son / sa /
ses
lui la y elle

Persoonlijk voornaamwoord

lui

  1. hem, haar
Verwante begrippen


Friulisch

persoon enkelvoud meervoud
eerste jo , noaltris
tweede tu , voaltris
derde lui lôr

Persoonlijk voornaamwoord

lui

  1. hij


Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • lui

Persoonlijk voornaamwoord

lui

  1. hij


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
luir

lui

  1. eerste persoon enkelvoud verleden tijd (pretérito indefinido) van luir