onmiddellijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·mid·del·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onmiddellijk onmiddellijker onmiddellijkst
verbogen onmiddellijke onmiddellijkere onmiddellijkste
partitief onmiddellijks onmiddellijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

onmiddellijk

  1. zonder uitstel
    • Dit heeft een onmiddellijke verlaging van de temperatuur ten gevolge. 
    • Het vertrek werd onmiddellijk gestopt en alle passagiers werden uit het vliegtuig gehaald. Het vliegtuig verliet Manchester uiteindelijk pas zaterdagochtend om 05.00 uur met enkele tientallen minder passagiers aan boord. [1] 
  2. zonder omwegen
    • Deze gang is een onmiddellijke uitgang naar de straat. 
Synoniemen
Vertalingen

Bijwoord

onmiddellijk

  1. zonder uitstel
    • De injectie gaf onmiddellijk verbetering in de toestand van de patiënt. 
  2. zonder omwegen
    • Deze weg geeft niet onmiddellijk toegang tot de binnenstad, maar gaat er met een bocht omheen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen