onmiddellijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·mid·del·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onmiddellijk onmiddellijker onmiddellijkst
verbogen onmiddellijke onmiddellijkere onmiddellijkste
partitief onmiddellijks onmiddellijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

onmiddellijk

  1. zonder uitstel
    • Dit heeft een onmiddellijke verlaging van de temperatuur ten gevolge. 
  2. zonder omwegen
    • Deze gang is een onmiddellijke uitgang naar de straat. 
Vertalingen

Bijwoord

onmiddellijk

  1. zonder uitstel
    • De injectie gaf onmiddellijk verbetering in de toestand van de patiënt. 
  2. zonder omwegen
    • Deze weg geeft niet onmiddellijk toegang tot de binnenstad, maar gaat er met een bocht omheen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.