cel
Uiterlijk

| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | cel | cellen |
| verkleinwoord | celletje | celletjes |




- cel
- (juridisch), (misdaad) een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
- Gevangenen wonen meestal in kleine cellen.
- ▸ De gevangenis is groter dan ze had gedacht, en de omvang lijkt tijdens het lopen op onverklaarbare wijze toe te nemen, waardoor ze elk gevoel voor proportie verliest. De ene cel na de andere, baksteen na baksteen, ze kan het niet bevatten.[2]
- ▸ Ze loopt met het eten op haar handpalmen door de cel en Johannes neemt het zichtbaar ontroerd van haar aan.[2]
- ▸ Wellicht geen zelfmoord, corrupte politie, smerige cellen.[3]
- (juridisch), (misdaad), (metonymisch) de gevangenis als zodanig
- Hij moet een jaar de cel in.
- (religie) een kleine ruimte in een klooster
- In een klooster bevinden zich cellen.
- (biologie) de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
- Iedere levensvorm heeft cellen.
- ▸ De dokter zegt dat haar geest net een honingraat is, cel na cel die kapotgaat en weer hersteld wordt.[4]
- een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
- (techniek) een element van een batterij, een accu of een ander apparaat
- kleinste eenheid van een vertakte organisatie
- [2] kloostercel, monnikscel
- [1] gevangenis, hechtenis, cachot, kerker
- [3] element, membraan
- [5] bijenraat, honingraat
|
|
1. een kleine ruimte waar iemand voor straf moet zitten (in een gevangenis)
2. een kleine ruimte (in een klooster)
3. de kleinste eenheid binnen een levend organisme waarin alle genetische informatie vervat zit
4. een zeshoekige opslagplaats in een bijenraat
- Het woord cel staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "cel" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ "cel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- 1 2 Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021809526 - ↑ “All-inclusive”
(2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht
, ISBN 90-229-9182-2 - ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
cel
- IPA: /tsɛl/
- cel
cel
cel
cel
- informeel tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van het imperfectieve werkwoord celit
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 3
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Juridisch in het Nederlands
- Misdaad in het Nederlands
- Metonymisch in het Nederlands
- Religie in het Nederlands
- Biologie in het Nederlands
- Techniek in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %
- Woorden in het Etruskisch
- Zelfstandig naamwoord in het Etruskisch
- Woorden in het Tsjechisch
- Woorden in het Tsjechisch met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Tsjechisch
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Tsjechisch
- Werkwoord in het Tsjechisch
- Werkwoordsvorm in het Tsjechisch