Naar inhoud springen

buk

Uit WikiWoordenboek
  • buk
vervoeging van
bukken

buk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bukken
    • Ik buk. 
  2. gebiedende wijs van bukken
    • Buk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bukken
    • Buk je? 
     Ik buk en pak een steen, je weet maar nooit.[1]
     'Kom eens even hier ' Net op het moment dat hij me wil omhelzen, buk ik.[2]
     Ik druk mijn sigaret uit op de rand van het balkon en buk om de peuk in het gootje te gooien dat het regenwater weg moet leiden.[3]
  1. “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  3. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471

buk

  1. haar


buk m

  1. (plantkunde) beuk


buk m

  1. (plantkunde) beuk