bokkenpruik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bok·ken·pruik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bokkenpruik -
verkleinwoord bokkenpruikje bokkenpruikjes

Zelfstandig naamwoord

bokkenpruik v/m

  1. (figuurlijk) de ~ ophebben: slecht gehumeurd zijn
    • Hij heeft al dagenlang de bokkenpruik op. 

Gangbaarheid