beuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1. Blaadjes van de rode beuk.
3. Twee beuken in kruisvorm.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beuk beuken
verkleinwoord beukje beukjes

Zelfstandig naamwoord

beuk m

  1. (bloemplanten) bepaald soort loofboom Fagus sylvatica op Wikispecies, een Europese hardhoutboom die inheems is in de Benelux en tot 46 meter hoog kan worden
    Wordt ook gebruikt als (deel van de) aanduiding voor andere bomen uit het geslacht Fagus op Wikispecies.
    • Een beuk heeft een gladde stam een eik heeft een ruwe bast. 
  2. een bekisting als hulpmiddel bij tunnelbouw
  3. een onderdeel van een kerkgebouw, schip
    • De beuk van de kerk bestond uit een middenschip en twee zijbeuken. 
  4. een stevige duw, oplawaai, opdoffer (-> ww. beuken)
    • Ik kreeg verschillende beuken van mijn tegenstander te verduren. 
  5. het rammen van een poort
    • Ik gaf een flinke beuk tegen de gesloten deur zodat die openvloog. 
    • De beuk erin! 
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
[1] namen van loofbomen in de Benelux
Afgeleide begrippen
samenstelling met "beuk" als eerste deel
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beuken

beuk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuken
    • Ik beuk. 
  2. gebiedende wijs van beuken
    • Beuk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuken
    • Beuk je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen