beuk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Twee beuken in kruisvorm [3

]

Rode beuk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beuk beuken
verkleinwoord beukje beukjes

Zelfstandig naamwoord

beuk m

  1. (plantkunde) Fagus sylvatica Wikispecies-logo-en.png een Europese hardhoutboom
    Een beuk heeft een gladde stam een eik heeft een ruwe bast.
  2. een bekisting als hulpmiddel bij tunnelbouw
  3. een onderdeel van een kerkgebouw, schip
    De beuk van de kerk bestond uit een middenschip en twee zijbeuken.
  4. een stevige duw, oplawaai, opdoffer (-> ww. beuken)
    Ik kreeg verschillende beuken van mijn tegenstander te verduren.
  5. het rammen van een poort
    Ik gaf een flinke beuk tegen de gesloten deur zodat die openvloog.
    De beuk erin!
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beuken

beuk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuken
    Ik beuk.
  2. gebiedende wijs van beuken
    Beuk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beuken
    Beuk je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie