stinkbok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stink·bok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stinkbok stinkbokken
verkleinwoord stinkbokje stinkbokjes

Zelfstandig naamwoord

stinkbok m [2]

  1. een mannelijke geit met een vieze geur
  2. (scheldwoord) iemand die stinkt
  3. ernstige fout
  4. slechte, niet lekker ruikende sigaar

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen