werk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- werk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | werk | werken |
| verkleinwoord | werkje | werkjes |
Zelfstandig naamwoord
werk o
- dat wat gedaan moet worden, klus, arbeid.
- Het werk dat moest gebeuren, is voltooid.
- beroep
- Het werk van Hans is buschauffeur.
- de plek waar men werkt, werkplek.
- Hans kwam vandaag te laat aan op het werk.
- dat wat gemaakt is, kunstwerk.
- Het werk van Magritte zal op de veiling verkocht worden.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1.
Werkwoord
| vervoeging van |
| werken |
werk
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werken
- Ik werk.
- gebiedende wijs van werken
- Werk!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werken
- Werk je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.