werk

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • werk
enkelvoud meervoud
naamwoord werk werken
verkleinwoord werkje werkjes

Zelfstandig naamwoord

werk o

  1. dat wat gedaan moet worden, klus, arbeid.
    Het werk dat moest gebeuren, is voltooid.
  2. beroep
    Het werk van Hans is buschauffeur.
  3. de plek waar men werkt, werkplek.
    Hans kwam vandaag te laat aan op het werk.
  4. dat wat gemaakt is, kunstwerk.
    Het werk van Magritte zal op de veiling verkocht worden.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
werken

werk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werken
    Ik werk.
  2. gebiedende wijs van werken
    Werk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werken
    Werk je?

Meer informatie

Persoonlijke instellingen