werkplaats
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- werk·plaats
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | werkplaats | werkplaatsen |
| verkleinwoord | werkplaatsje | werkplaatsjes |
Zelfstandig naamwoord
- een plaats of gebouw ingericht voor het verrichten van bepaald werk
- Zijn werkplaats was uitstekend ingericht voor het gieten van brons.