werken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wer·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: werken
Oudnederlands: wirken
Germaans: *wirkijanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: work (Angelsaksisch: wyrcan), Duits: wirken, (Oudhoogduits: wirken), Fries: wurkje (Oudfries: werka, wertzia)
Noord: Zweeds: virka, Noors: virke, (Oudnoors: virkja), IJslands: virka, Faeröers: virkja, virka
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
werken
werkte
gewerkt
zwak -t volledig

Werkwoord

werken

  1. (inergatief) arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
  2. (inergatief) functioneren, draaien: die machine werkt niet
  3. (inergatief) een gunstig gevolg hebben: die oplossing kan nooit werken
  4. (verouderd) iets groots tot stand brengen
Afgeleide begrippen
Citaten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
werken
wrocht
gewrocht
4. zwak -cht volledig

QUERULIANUM.

  • Gelijk men zegt: „Ik zoek, ik zocht,
  • Ik breng, ik brocht,”
  • Zoo zei men ook: „Ik werk, ik wrocht, ”
  • Zoolang het volk zijn taal verstond.
  • Thans hoor ik, uit geleerden mond:
  • „Ik wrocht, ik wrochtte, heb gewrocht”…
  • Nu ja! — een wangedrocht!
Uitdrukkingen en gezegden
  • dat werkt niet
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

werken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord werk