werken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wer·ken
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| werken |
werkte |
gewerkt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
werken
- (inergatief) arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
- (inergatief) functioneren, draaien: die machine werkt niet
- (inergatief) een gunstig gevolg hebben: die oplossing kan nooit werken
- (verouderd) iets groots tot stand brengen
Afgeleide begrippen
Citaten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| werken |
wrocht |
gewrocht |
| 4. zwak -cht | volledig | |
QUERULIANUM.
- Gelijk men zegt: „Ik zoek, ik zocht,
- Ik breng, ik brocht,”
- Zoo zei men ook: „Ik werk, ik wrocht, ”
- Zoolang het volk zijn taal verstond.
- Thans hoor ik, uit geleerden mond:
- „Ik wrocht, ik wrochtte, heb gewrocht”…
- Nu ja! — een wangedrocht!
Uitdrukkingen en gezegden
- dat werkt niet
Hyponiemen
Vertalingen
1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
|
2. functioneren, draaien
Zelfstandig naamwoord
werken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord werk