netwerk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- net·werk
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | netwerk | netwerken |
| verkleinwoord | netwerkje | netwerkjes |
Zelfstandig naamwoord
- stelsel van zaken of personen die nauw met elkaar in contact staan
- het is, ook in Nederland, heel profijtelijk tot het old boys netwerk te behoren
- (informatica) computernetwerk
- (wiskunde) afbeelding in het platte vlak van alle zijvlakken van een veelvlak
Woordafbreking
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| netwerken |
netwerk
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van netwerken
- Ik netwerk.
- gebiedende wijs van netwerken
- Netwerk!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van netwerken
- Netwerk je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.