beroep
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·roep
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beroep | beroepen |
| verkleinwoord | beroepje | beroepjes |
Zelfstandig naamwoord
beroep o
- een bezigheid waarmee men de kost verdient
- Hij is bakker van beroep.
Synoniemen
- ambacht, ambt, betrekking, métier, stiel, occupatie, professie, vak, werk, werkzaamheid
Afgeleide begrippen
- beroepsaansprakelijkheid, beroepsaard, beroepsarbeid, beroepsaspect, beroepsastma, beroepsbeeld, beroepsbeoefenaar, beroepsbevolking, beroepscode, beroepsdilemma, beroepsgeheim, beroepshalve, beroepshouding, beroepskeuze, beroepsmatig, beroepsplicht, beroepstest, beroepsvaardigheid, beroepsverandering, beroepsvereniging, beroepsvervoer, beroepsverantwoordelijkheid, beroepsvoorwaarde
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- een beroep op iets of iemand doen
Vertalingen
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
een beroep op iets of iemand doen
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| beroepen |
beroep
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich beroepen
- Ik beroep me.
- gebiedende wijs van zich beroepen
- Beroep je!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich beroepen
- Beroep je je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.