beroep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·roep
enkelvoud meervoud
naamwoord beroep beroepen
verkleinwoord beroepje beroepjes

Zelfstandig naamwoord

beroep o

  1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
    Hij is bakker van beroep.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • een beroep op iets of iemand doen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beroepen

beroep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich beroepen
    Ik beroep me.
  2. gebiedende wijs van zich beroepen
    Beroep je!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich beroepen
    Beroep je je?

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen