beroep
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·roep
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beroep | beroepen |
| verkleinwoord | beroepje | beroepjes |
Zelfstandig naamwoord
beroep o
- een bezigheid waarmee men de kost verdient
- Hij is bakker van beroep.
- dringend verzoek om hulp of bijstand, appel
- ik doe hierbij een dringend beroep op je
- (juridisch) verzoek bij een hogere rechtsinstantie om herziening van een vonnis of beschikking (een rechtsmiddel)
Synoniemen
- [1] ambacht, ambt, betrekking, métier, stiel, occupatie, professie, vak, werk, werkzaamheid
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- een beroep op iets of iemand doen
Vertalingen
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
een beroep op iets of iemand doen
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| beroepen |
beroep
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich beroepen
- Ik beroep me.
- gebiedende wijs van zich beroepen
- Beroep je!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich beroepen
- Beroep je je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.