beroep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·roep
enkelvoud meervoud
naamwoord beroep beroepen
verkleinwoord beroepje beroepjes

Zelfstandig naamwoord

beroep o

  1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
    Hij is bakker van beroep.
  2. dringend verzoek om hulp of bijstand, appel
    ik doe hierbij een dringend beroep op je
  3. (juridisch) verzoek bij een hogere rechtsinstantie om herziening van een vonnis of beschikking (een rechtsmiddel)
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Uitdrukkingen en gezegden
  • een beroep op iets of iemand doen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beroepen

beroep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich beroepen
    Ik beroep me.
  2. gebiedende wijs van zich beroepen
    Beroep je!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich beroepen
    Beroep je je?

Meer informatie