beroep
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·roep
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beroep | beroepen |
| verkleinwoord | beroepje | beroepjes |
Zelfstandig naamwoord
beroep o
- een bezigheid waarmee men de kost verdient.
- Hij is bakker van beroep.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. een bezigheid waarmee men de kost verdient
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.