vak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vak | vakken |
| verkleinwoord | vakje | vakjes |
Zelfstandig naamwoord
vak o
- beroep
- ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvak
- schoolvak, leervak
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
2. ingedeeld stuk