vak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vak
enkelvoud meervoud
naamwoord vak vakken
verkleinwoord vakje vakjes

Zelfstandig naamwoord

vak o

  1. beroep
  2. ingedeeld stuk, bijv. schap, baanvak, supportersvak
  3. schoolvak, leervak
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie